Historie
De NVVK is opgericht in 1947. Maar de geschiedenis van ons vakgebied in Nederland begon al enige decennia daarvoor.
1900: de veiligheidsingenieur
De veiligheidskunde is in Nederland begonnen rond 1900. Bij enkele grote bedrijven was sprake van 'veiligheidsingenieurs'. Zij kregen, naast hun functie als bedrijfsingenieur, de bevordering van de bedrijfsveiligheid als neventaak. In 1927 werd de 'veiligheidsman' geïntroduceerd, die voltijds onder de veiligheidsingenieur werkzaam was.
De organisaties hadden nog een eenvoudige structuur: het was duidelijk wie de baas was en aan wie iedereen moest rapporteren. De aanstelling van aparte adviseurs was voor geen enkel onderdeel van de bedrijfsvoering gebruikelijk, dus ook niet voor de veiligheidszorg. Iedereen was lijnfunctionaris.
1945: de veiligheidsinspecteur
Na 1945 werden in diverse bedrijven 'veiligheidsinspecteurs' aangesteld, wat in 1947 leidde tot oprichting van de 'club van veiligheidsinspecteurs'. Dit zou later uitgroeien tot de beroepsvereniging van veiligheidstechnici (NVVT, 1962) en daarna tot de beroepsvereniging van veiligheidskundigen, de NVVK (1975). In 1983 werd dit omgezet naar Nederlandse Vereniging voor Veiligheidskunde, om aan te geven dat de vereniging zich niet alleen op belangenbehartiging richtte, maar op het hele werkveld van de beroepsgroep.
1980: interne adviserende veiligheidsdiensten
Geleidelijk was inmiddels de lijn-staf-organisatie het toonaangevende organisatiemodel geworden. In zulke rolgestuurde, stabiele organisaties wordt de nadruk gelegd op de diverse rollen die betrokkenen hebben. Vereniging in een veiligheidsdienst van zowel adviserende als uitvoerende taken wordt dan als onwenselijk gezien.
Begin jaren ‘80 resulteerde dit in het ontstaan van puur adviserende veiligheidsdiensten: zogeheten deskundige diensten, zoals bedrijfsgezondheidsdiensten en veiligheidsdiensten. Beiden brachten aan werkgever en werknemers hun adviezen uit en beiden benadrukten sterk hun adviseursrol.
De veranderingen in de samenleving gingen echter steeds sneller en het werd voor bedrijven onmogelijk om de rolgestuurde organisatiestructuur te handhaven. In de jaren ‘80 ontstonden taakgeoriënteerde, projectgerichte organisaties. In navolging van Peters en Waterman 'In Search of excellente' moesten organisaties 'lean & mean' zijn en alles wat niet tot de "core-business" behoorde werd buiten het bedrijf geplaatst.
1990: de externe arbodienst
Eind jaren ’80 ontstond steeds meer Europese regelgeving die oprichting van arbodiensten voorschreef, voor integrale arbozorg. Hiermee werd bedoeld dat veiligheid en gezondheidsaspecten tezamen en gelijktijdig aan de orde moesten komen.
Deze twee ontwikkelingen leidden ertoe dat de veiligheids- en gezondheidsdiensten fuseerden tot arbodiensten en vaak buiten het bedrijf geplaatst werden, omdat hun werk niet als 'core-business' was gedefinieerd. Dit betrof dan vaak de hoger opgeleide veiligheidskundigen; de middelbaar opgeleide veiligheidskundigen bleven vaak als lijnfunctionaris binnen het bedrijf.
De veiligheidskundigen die buiten de bedrijven waren geplaatst kwamen te werken bij externe ingenieursbureaus en een aantal in externe arbodiensten. Groot voordeel van die ontwikkeling was dat de bedrijfsveiligheidszorg nu ook voor de kleine bedrijven beschikbaar werd (via de verplichting dat die kleine bedrijven zich bij een arbodienst moesten aansluiten), iets dat daarvoor niet het geval was.
De veiligheidskundigen die binnen de grote bedrijven bleven werken, moesten hun takenpakket echter herdefiniëren waarbij het niet meer vanzelfsprekend was dat ze alleen adviseurs of alleen toezichthouders waren.
De organisatorische vormgeving van de veiligheidsondersteuning zal nu in de praktijk vooral een afgeleide zijn van de organisatorische vormgeving van het bedrijf als totaal. Die lijkt te ontwikkelen van de ‘lean en mean’-filosofie naar een organisatie die met opzet wat minder vastomlijnd en wat meer 'redundant' wordt gemaakt. Op die manier wordt flexibiliteit gecreëerd zodat men tijdig op nieuwe wensen van de markt kan inspelen.
De periode van de puur rolgerichte cultuur lijkt dus afgelopen. Naast de inspecterende en de adviserende veiligheidskundigen kunnen ook veiligheidskundigen werkzaam zijn met een ander takenpakket. Vaak zal de veiligheidskundige een takenpakket hebben waaraan op dat moment in het bedrijf behoefte is.
De noodzaak dat de veiligheidskundige voor zijn advies-taak een ‘zelfstandig oordeel’ en een ‘onafhankelijke positie’ heeft, blijft echter aanwezig en is eigenlijk door het wat diffusere karakter van de organisatie en regelgeving alleen nog maar groter geworden.
2005: Preventiemedewerker
volgt